In het onderstaande schrijven kunt u lezen wat er besproken is tijdens het seminarium in onze kerk op 22 september 2020

SEMINARIUM
1
Paralellen en verschillen tussen gereformeerden en vrije evangelischen
Een beknopt historisch overzicht

Inleidende bijdrage voor een gemeentebijeenkomst te Harkema, 22 september 2020

Het is een beetje een sprong in het diepe. We kennen elkaar nog niet en toch ben ik hier om u een inhoudelijk verhaal over het eigene van de Bond te vertellen. Dat verhaal gaat hopelijk vooraf aan een goed gesprek. Want uiteindelijk kom je in kennismaking verder als je met elkaar in gesprek raakt.
Mijn insteek is deels historisch – dat is nu eenmaal mijn expertise – en deels reagerend op de vragen die mw. Kloosterman aan de secretaris van het bestuur van het seminarium heeft doorgegeven.
In mijn historische inleiding probeer ik in vogelvlucht wat momenten uit de geschiedenis van de Bond van VEG te belichten. Ik probeer die te verbinden met uw eigen geschiedenis en die van de Gereformeerde Kerken. Wat betreft uw eigen geschiedenis ben ik natuurlijk een leek en weet u daar ongetwijfeld meer over. Maar met de informatie over de geschiedenis van uw gemeente en die van de Protestantse Gemeente Harkema kwam ik al een beetje verder.
1.
Er is onmiskenbaar een parallel tussen het optreden van Lambertus Nankes Warmolts en sommige figuren uit de geschiedenis van de Bond. Een domineeszoon die op eigen houtje met evangelisatiewerk begint op de Hamsterheide en die een drijvende kracht wordt achter de totstandkoming van de Gereformeerde Kerk in Harkema. In de Bond zie je dat ook, alleen is er daar sprake van een beweging die vooral vanuit Ermelo impulsen ontvangt. Daar werkte ds. H.W. Witteveen, oorspronkelijk hervormd predikant, maar afgezet door de Gelderse synode. Hij werd stichter van de Zendingskerk die er nog altijd is en leidde tal van evangelisten op die in Nederland en het buitenland evangelisatiewerk verrichtten. De Bond werd opgericht door enkele leerlingen van Witteveen, maar hijzelf wilde uiteindelijk daaraan niet meedoen. De oprichters schreven Beginselen. Dat was een kleine brochure, waarin de koers werd geschetst die de VEG wilden gaan. Het was duidelijk geen belijdenisgeschrift.
Of Warmolts van de Bond geweten heeft, is mij onbekend. Ik vermoed het wel, omdat de vrije evangelischen in Friesland een zekere naam hadden en de Bond in 1881 in Franeker werd opgericht. Wat mij wel duidelijk is, is dat Warmolts niet zomaar in 1892 toetreedt tot het verband van de Gereformeerde Kerken in Nederland. 1892 is het jaar waarin Abraham Kuyper en anderen een vereniging tot stand brengen tussen de kerken uit de Afscheiding van 1834 en de Dolerenden van 1886, die onder leiding van Kuyper de Hervormde Kerk hadden verlaten. Kennelijk voelde Warmolts zich thuis bij het elan van de toenmalige gereformeerden en zal hij onder de indruk geweest zijn van Kuyper, Herman Bavinck en andere gereformeerde kopstukken.
2.
Een parallel is ook te vinden in de latere geschiedenis van Harkema en de Bond.
In de Bond is 1912 een belangrijk jaar. Toen verscheen er een belijdenisgeschriftje, eerst onder de naam Uniformbelijdenis en later onder de titel Wat gelooven en belijden wij in den Bond van Vrije
BOND VAN VRIJE EVANGELISCHE GEMEENTEN IN NEDERLAND

SEMINARIUM
2

Christelijke Gemeenten in Nederland? Met dat geschrift, dat overigens niet officieel door de Bond werd aanvaard, trad er een ingrijpende verandering op ten opzichte van de oorspronkelijke koers van de Bond. In de slotparagraaf van deze belijdenis werd veel aandacht besteed aan de verwachting van de wederkomst van Christus. Die verwachting werd fundamentalistisch ingekleurd met opvattingen die afkomstig waren van de Engelse predikant John Nelson Darby. Er was sprake van een opname van de gemeente, een duizendjarig rijk en een rol voor Israël als uitverkoren volk.
De founding fathers van de Bond wilden zich echter per se niet binden aan een belijdenisgeschrift. Rond 1912 begon dat te schuren. Moesten de VEG ook niet een duidelijk omschreven leer hebben? Een botsing tussen de generaties was het gevolg. De belangrijkste figuur achter de oprichting van de Bond, Marinus Mooij, verliet de Bond omdat hij het niet eens was met deze confessionele wending. Hij voelde zich niet gehoord.
Ook Harkema kende het probleem van botsende generaties, met zeer pijnlijke gevolgen. Het ging in 1926 in de Gereformeerde Kerken om de kwestie Geelkerken. J.G. Geelkerken was een bekende Amsterdamse predikant, die geschorst werd vanwege zijn uitspraken over het symbolische karakter van het spreken van de slang in het Bijbelverhaal van Genesis 3. Ook in Harkema werd een predikant geschorst, dr. N.D. van Leeuwen, met als gevolg het ontstaan van een Gereformeerde Kerk in Hersteld Verband. Dit was een pijnlijke geschiedenis. Wat er op de achtergrond speelde, heeft Maarten Aalders in zijn prachtige biografie over Geelkerken duidelijk gemaakt. In het begin van de jaren ’20 waren Kuyper en Bavinck overleden. De Gereformeerde Kerken stonden voor een grote uitdaging. Hoe nu verder? Hoe bijv. verder met de confessie en de opvatting van Kuyper over de onfeilbaarheid van de Schrift? Door de Eerste Wereldoorlog waren de vragen van de tijd anders geworden dan in Kuypers tijd. Hoe moesten de gereformeerden daarop reageren? Geelkerken was in zijn studentenjaren lid van de NCSV (Nederlandsche Christen Studenten Vereeniging) geweest. Die was niet gereformeerd. Hij en veel van zijn studiegenoten aan de VU hadden door die studentenvereniging ook buiten het eigen erf gekeken. Geelkerken wilde een vernieuwing in de kerken, anderen waren beducht voor verlies van identiteit en vervlakking rond de confessie en de Bijbel. Het werd een breuk, ook hier in Harkema. De Gereformeerde Kerken raakten echter in die tijd wel steeds meer naar binnen gekeerd, d.w.z. alles draaide om de eigen zuil. Zij zagen zichzelf in die tijd ook als de ‘ware kerk’ en trokken zich theologisch in een isolement terug.
3.
In de jaren ’30 is er een duidelijk verschil tussen de gereformeerden en de vrije evangelischen te zien. Opmerkelijk is dat de synode van de Gereformeerde Kerken in Nederland al in het najaar van 1936 bepaalde dat lidmaatschap van een Gereformeerde Kerk onverenigbaar was met lid-zijn van de NSB. De gereformeerden hadden door het politieke kader van de ARP al vroeg door dat het nationaalsocialisme een gevaar was en een antichristelijke ideologie. Hun principiële opstelling leidde in de oorlog veelvuldig tot verzet. De leiding van de kerk steunde dat ook met o.a. kanselboodschappen die door het interkerkelijke Convent van Kerken waren opgesteld.
De predikanten van de Bond spraken in 1935 en 1936 ook over het gevaar van de NSB, maar tot een gezamenlijke afwijzing kwam het niet. Ook bleek de toekomstverwachting waar in de Bond veel over gepreekt werd, weinig behulpzaam om tot protest te komen. Johannes de Heer, die destijds zeer geliefd was in de Bond, vond dat de gemeente niet geroepen was om te protesteren, maar te getuigen van het heil in Christus en dat je gereed moest zijn als de Heer zou komen. Overigens betekende dat niet dat hij zijn ogen sloot voor wat er in Duitsland gaande was. De Bond hield zich in de oorlog afzijdig
SEMINARIUM
3

van de kanselboodschappen van het Convent van Kerken. In de ogen van latere generaties miste men daardoor de boot. De Bijbelvisie van de Bond en de prediking over de ‘tekenen der tijden’ leidden uitgerekend niet tot een gezamenlijke stellingname tegen het nationaalsocialisme. Hoe kon dat en wat zei dat over de uitleg van de Bijbel in onze kring? Waren we te apocalyptisch en te weinig doordrongen van het profetische karakter van de Schrift? De profeten hadden zich immers nooit geschaamd om zich fel en kritisch uit te spreken tegen de machthebbers van hun dagen. Denk aan Jesaja, Jeremia, Amos en anderen.
4.
Na de oorlog breekt er gaandeweg in de Bond een andere tijd aan. Men wil in de jaren ’60 en ’70 terug naar de Beginselen van de Bond en de niet-confessionele identiteit herontdekken, oecumenische relaties versterken. Men begint de banden met de hervormden en gereformeerden aan te halen, omdat de vrije evangelischen met hun kinderdooptraditie, hun ambten van ouderling en diaken en vanwege hun voorgeschiedenis altijd zeer verbonden zijn geweest met deze grotere protestantse kerken in ons land. Ook de Bijbel moest anders gelezen worden. Significant voor die omslag is het rapport over de toelating van vrouwen tot de ambten in de gemeenten uit 1968. In enkele Bijbelstheologische verhandelingen wordt duidelijk gemaakt dat je niet met een beroep op enkele Bijbelteksten – bijv. over het zwijgen van vrouwen in de gemeenten – kunt zeggen dat dat het Bijbelse standpunt is. Zo omgaan met de Bijbel vonden de opstellers van het rapport niet gepast en tekort doen aan het Bijbelse getuigenis. In 2011 schrijft Bert Louwerse, die jarenlang algemeen secretaris in de Bond was, dat dit rapport een kantelpunt vormde in de omgang met de Bijbel. Ik citeer: ‘Voor het eerst werd in een officieel document van de Bond naar de Bijbel gekeken als een boek, waarin je geen tijdloze waarheden kunt vinden, maar een boodschap die gekleurd en bepaald is door de tijd, waarin hij is ontstaan’ (Magazine MOO!). Deze visie leidde tot felle botsingen met meer fundamentalistisch georiënteerde VEG. Daar vond men soms de leiding van de Bond niet ‘Bijbelgetrouw’.
Op dit punt zijn er weer parallellen met de gereformeerden. Ook daar was een grote omslag in visie op de Bijbel, de confessie en de rol van de kerk in de samenleving in de jaren ‘60. De VU en Kampen hadden daarbij een voortrekkersrol. Prof. Tjitse Baarda schreef een boekje over de vier evangeliën, waarin hij een lans brak voor het historisch-kritische onderzoek van de Bijbel, iets wat de gereformeerden vóór die tijd altijd hadden afgewezen. Er ontstonden conflicten rond de verzoeningsleer en de confessie. Eerst door het proefschrift van Herman Wiersinga over verzoening, dat onder leiding van prof. G.C. Berkouwer tot stand was gekomen, en later door een boek van prof. Cees den Heijer, die stelde dat de Anselmiaanse verzoeningsleer uit de Heidelbergse Catechismus – God wil vanwege zijn toorn over de zonden van de mensen een zoenoffer – niet zo uit de Bijbel kon worden afgeleid. Binnen de Gereformeerde Kerken kwam er in prediking en catechese ook steeds meer oog voor het feit dat Bijbelteksten in een bepaalde tijd ontstaan zijn en niet zomaar pasklaar op onze tijd kunnen worden toegepast. Het ging er soms fel aan toe in die tijd en hier en daar gingen ‘verontruste’ gereformeerden over naar de VEG en verzetten zich dan weer tegen vernieuwingstendensen in de Bond.
De Bond maakte in die periode een belangrijke stap richting andere kerken. Er kwamen samenwerkingsovereenkomsten met de Nederlandse Hervormde Kerk (1979) en de Gereformeerde Kerken in Nederland (1983). In 1970 werd de eigen opleiding ondergebracht bij de universiteit van Utrecht (later Amsterdam), en er kwam een herstructurering van de Bond, met deelorganisaties, een algemeen secretaris en een Bondsbureau.
SEMINARIUM
4

De visie op een open, oecumenisch georiënteerde Bond met een opdracht in de samenleving kreeg een belangrijke impuls door het actieonderzoek van ds. Gerard Siebert eind jaren ‘70. Deze vernieuwingen leidden echter ook tot toenemende spanningen met als gevolg het uittreden van ca. 11 VEG in de jaren 1979-2011. Daar waren ook grote gemeenten bij zoals Hilversum en Oldebroek. De laatste gemeente scheidde zich in 2011 af, omdat zij niet kon accepteren dat in een zustergemeente het huwelijk van homoparen werd gezegend. Een aantal van deze uitgetreden gemeenten richtten in 1994 de Federatie van VEG op. Overigens sloten niet alle gemeenten die de Bond verlieten, zich daarbij aan, zoals de VEG Zeist en Hendrik Ido Ambacht.

Reactie op enkele vragen uit Harkema 1. Vraag: Onze gemeente is t/m 31 dec. 2019 een gereformeerde gemeente geweest. Kunnen jullie uitleggen hoe dicht het belijden van de gereformeerde kerk en het belijden van de VEG bij elkaar passen?

Antwoord: In de naoorlogse Bond zijn de Beginselen uit de begintijd weer meer op de voorgrond gekomen. In die Beginselen wordt nadrukkelijk gesteld dat de VEG geen binding hebben aan de Nederlandse belijdenisgeschriften. Deze worden wel erkend als waardevolle geloofsgetuigenissen, maar niet als bindend voor hoe in komende generaties geloofd moet worden. Ten aanzien van de ‘leer’ wilde men zich niet vastleggen. Vanuit de kring van de VEG is het dus niet zo eenvoudig om te zeggen: wij hebben hetzelfde ‘belijden’ als het belijden van uw kerk. Daarvoor zijn de VEG te verschillend. De belijdenis uit 1912 is officieel nooit aanvaard als belijdenisgeschrift door de Bond, al kreeg het door catechese en prediking wel grote invloed. De Federatie van VEG hanteert een moderne versie van deze belijdenis. In de naoorlogse Bond is die lijn nadrukkelijk afgewezen: we willen en mogen elkaar niet vastleggen op een belijdenis of visie op de Bijbel. Het gaat om de kernbelijdenis ‘Jezus is Heer’. Iedere gemeente is vrij om in haar eigen context in woord en daad te belijden dat Jezus haar Heer is.

2. Vraag: Op welke punten zijn de gereformeerde kerken en de VEG verschillend van elkaar?

Antwoord: Kuyper had een veel breder ideaal voor ogen dan de kleine Bond destijds. Hij wilde herkerstening van Nederland. De Hervormde Kerk was daartoe niet geschikt, vond hij. Kuyper zorgde er voor dat de VU er kwam, dat kleine luyden een stem kregen in de kerk, de politiek en de maatschappij. Dat begon met de schoolstrijd en het mondde uit in een protestants-christelijke zuil met eigen kranten (De Standaard, De Heraut), een eigen politieke partij (ARP), een eigen universiteit, overal scholen met de Bijbel en een bloeiend verenigingsleven. De Bond kende die daadkracht in veel geringere mate. Pas meer dan 45 jaar na de oprichting van de Bond kwam het tot de oprichting van een eigen opleiding en een gezamenlijk zendingsorgaan. Na de oorlog maakte de Bond een ‘inhaalslag’. De predikantenopleiding werd universitair, er ontstonden samenwerkingsovereenkomsten met de NHK en GKN. Diaconaal werd samengewerkt. Verbinding was er ook vanwege het accent in de Gereformeerde Kerken op de plaatselijke gemeente. Die had een zekere zelfstandigheid vanuit het idee van Kuyper: ‘de soevereiniteit in eigen kring’ versterkt de beweging van onderop en maakt mensen verantwoordelijk voor hun eigen kring/vereniging/gemeente. Vanaf de jaren ‘70/’80 werd uitgesproken dat er ‘wezenlijke
SEMINARIUM
5

overeenstemming in belijden’ is tussen de Bond en de Hervormde Kerk en de Gereformeerde Kerken, die later met de Lutherse Kerk de PKN vormden. In het rapport over de samenwerking met de Hervormde Kerk uit 1979 werd daarover gezegd: ‘Daarom geloven wij dat het in onze kerken en gemeenten om hetzelfde heil gaat en om de dienst van dezelfde Heer’. Dit legde de basis voor de associatieovereenkomst die in 2008 met de PKN gesloten werd. Deze overeenkomst begint dan ook met de woorden: ‘De kern van de overeenkomst is dat we elkaar erkennen en herkennen als deel van de kerk van Christus (…) en dat we willen deelnemen aan elkaars kerkelijk leven’ (art. 1).

Verschillen tussen vrije evangelischen en gereformeerden waren er ook: geen synodale structuur, die meer sturend is, maar een congregationalistische structuur. Hoewel niet alle congregationalistische kerken klein zijn, is de Bond wel altijd klein gebleven met de mooie, maar ook moeizame kanten daarvan. In de afgelopen jaren kwam de vraag op of we als Bond wel door moeten blijven gaan. Er is een grote uitstroom geweest van mensen die waren opgeleid aan het seminarium en werkten in de Bond. Bijna 80/90% verliet in de afgelopen 30 jaar de Bond. De gereformeerden hadden door hun omvang, structuur en ook later bij de totstandkoming van de PKN meer kader en deskundigheid in huis. Bij de Bond is het door het verloop veel moeilijker geworden om deskundigheid blijvend op te bouwen en aan te kweken.

3. Vraag: Kunnen jullie uitleggen wat de naam “Bond van Vrije Evangelische Gemeenten” bij de oprichting betekende? Is die betekenis nu nog het zelfde?

Antwoord: Bij de oprichting in 1881 dacht men eerst aan het woord Unie. Maar dat woord is verworpen en het is Bond geworden. Bond is een woord uit de negentiende eeuw, zoals het woord ‘organisch’. De nadruk ligt minder op de kerk als instituut, meer op de kerk als organisme – om met een gevleugelde uitdrukking van Kuyper te spreken. Een organisme heeft een eigen leven dat niet bekneld moet worden door maatregelen van buiten- of bovenaf. De Bond werd gedacht als zo’n organische structuur. Niet teveel opgelegde regels voor de gemeenten, maar een lichaam ‘om elkaar te helpen en te steunen’. De Bond wilde oorspronkelijk geen eigen kerkje zijn, maar werd het toch. Die spanning tussen instituut en beweging houdt de Bond nog steeds bezig. Al in de vroege Bond speelde de theologische notie van het lichaam van Christus een belangrijke rol. Dit was gebaseerd op Paulus’ beeld van het lichaam van Christus in 1 Kor. 12. Cruciaal is daar dat geen lid volmaakt kan zijn zonder samenhang met de andere leden. Die notie heeft na de oorlog bijgedragen aan een hernieuwde bezinning op oecumenische relaties. Samenwerken met andere kerken is geen luxe, maar een voorwaarde om zelf een geloofwaardige geloofsgemeenschap te kunnen zijn. Openheid naar anderen is daarbij vanuit de oorsprong van de Bond een principieel punt.

4. Onze gemeente wil graag ook weten wat de namen “Vrije” en “Evangelische” betekenen, betekent vrij dat je vrij bent in wat je wel of niet wilt doen en dat evangelisch betekent: zoals dat in de evangelische gemeenten in Amerika beleefd wordt?

Antwoord: Mijn historische verhaal heeft er al een beetje licht op geworpen. Die woorden waren oorspronkelijk gekleurd door de 19e eeuw. Vrij zou je heel kort en bondig zo kunnen omschrijven: vrij van de staat en niet-synodaal. De gemeente mag zich niet laten binden door staatsinmenging of door inmenging van een synode in haar geloofsontwikkeling. Evangelisch staat niet voor
SEMINARIUM
6

evangelikaal of fundamentalistisch. Ook hier kan een korte omschrijving volstaan: evangelisch betekent niet-confessioneel, maar naar de eenvoud van het evangelie. De naam ‘vrij evangelisch’ is inhoudelijk vooral door ds. Jan de Liefde geijkt. De Liefde was bekend om zijn evangelisatiewerk in de Amsterdamse Jordaan (Tot heil des volks). Ik citeer een uitspraak van dr. C. Dekker, die De Liefdes opvatting over ‘vrij’ en ‘evangelisch’ kernachtig verwoordt: ‘Het vrije karakter van de gemeente betekende voor De Liefde vrij van elke binding aan de staat en vrij van synodale of andere kerkelijke bevoogding. (…) Het evangelische karakter van de gemeente zou zich dienen te uiten in een terugkeer tot de eenvoud van het evangelie met voorbijgaan van de theologische stelsels of die nu in Dordt of elders waren ontworpen.’ (Gereformeerd en evangelisch, 264). Oorspronkelijk droegen de VEG niet allemaal dezelfde namen. Sommigen heetten Zendingsgemeente, anderen Christelijk Evangelische Gemeente en weer anderen Evangelische Gemeente of Vrije Evangelische Gereformeerde Gemeente. De Bond zelf droeg aanvankelijk de naam Bond van Vrije Christelijke Gemeenten in Nederland. Pas in 1923 werd de naam veranderd in Bond van Vrije Evangelische Gemeenten in Nederland. Veel plaatselijke gemeenten behielden echter vaak nog lange tijd hun oorspronkelijke naam.

Invloeden van revivals uit Engeland en de VS zijn er zeker geweest, zoals bijv. blijkt uit de maranathaprediking, die m.n. door Johannes de Heer in Nederland werd verspreid. Toch is er ook altijd binnen de Bond iets aanwezig gebleven van een zekere protestantse nuchterheid. Men wilde geen sekte worden, al had de Bond die trekken soms wel. In de naoorlogse Bond is de kracht niet gezocht in het isolement, maar in de verbinding met anderen om o.a. het risico van sektarisch drijven tegen te gaan.

5. Vraag: Ook graag uitleg naar de gemeente toe wat het verschil is bij de bediening van de sacramenten t.w. bij de gereformeerde gemeenten moet er beslist een predikant voorgaan die bevoegd is om de sacramenten te bedienen terwijl er bij de VEG ouderlingen met een speciale opdracht dit ook mag doen.
Antwoord: De vraag over de sacramentsbediening is eigenlijk een vraag voor het comité. Maar wat er theologisch van te zeggen valt is dit: de ambtsopvatting in de Bond is enigszins anders dan in de Gereformeerde Kerken. Daar wordt het ambt meer gezien als representatie van Christus tegenover de gemeente. In de Bond, die congregationalistisch is, is de gedachte dat het ambt opkomt uit de gemeente. Alle gemeenteleden zijn in feite ambtsdragers en de gemeente als geheel heeft een onvervreemdbare roeping, die niet aan anderen kan worden overgedragen. Daarom kan een kerkenraad met instemming van een gemeente een ouderling de bevoegdheid geven om de sacramenten te bedienen. Daarmee heeft echter die ouderling dat recht niet in alle gemeenten van de Bond. Dat geldt bijv. ook voor de gemeentelijk werker. Hij of zij mag de sacramenten bedienen als een lokale gemeente daarmee instemt, maar niet in alle gemeenten. Dat recht is voorbehouden aan de Bondspredikanten. Daarin speelt mee dat er in een gemeente – en de Bond – ook altijd in de geest van Paulus overeenkomstig 1 Kor. 14:40 gezocht wordt naar een goede orde: ‘Alles moet op gepaste wijze en in goede orde gebeuren’, schrijft de apostel. We willen niet dat het een janboel wordt zoals in de gemeente van Korinte. Maar ook hier geldt dus weer vrijheid: een gemeente is zelf bevoegd om te beslissen of iemand waardig is de sacramenten in haar midden te bedienen. Dit betekent echter ook dat een gemeente niet mag afdwingen dat haar standpunt ook elders/landelijk bindend wordt voorgeschreven.
SEMINARIUM
7

Ik vond daarover eens een treffende uitspraak van ds. Jac. Lissenberg, die halverwege de twintigste eeuw predikant was in de Bond. Ik citeer: ‘Het zeer typische van ons vrij evangelisch beginsel bestaat onder meer hierin, dat wij elkaar nooit een beschouwing ‘opleggen’. Wij wisselen met elkaar van gedachten en trachten elkaar te overtuigen, maar gunnen elkaar ten aanzien van de dingen die niet de kern van het evangelie onzer zaligheid betreffen, verschil van blik.’ (Geloven is drijven boven duizenden vademen diepte, 119).
Het is een heel verhaal geworden. Hopelijk biedt het een beetje meer inzicht in het eigene van de Bond van VEG. En legt het een vloer onder de verdere gesprekken en inbreng van mijn collega Eduard van den Berg-Strijker.

dr. Leo Mietus, docent aan het seminarium.